Interview Marinus Augustijn

Marinus Augustijn is beeldend kunstenaar, docent bij Vrijdag en Academie Minerva en medeoprichter van kunstruimte "Galerie Block C" en stichting "ARTisBOOK.

Hoe is het verzamelen begonnen?

“Dat is lastig om te zeggen, maar ik heb boeken altijd bijzonder gevonden. Ook vond ik het prettig om ze om me heen te hebben. Dat begon eigenlijk al toen ik ging studeren. In die tijd was het ook zo dat je bijvoorbeeld bij het Haags Gemeentemuseum en het Stedelijk museum een abonnement op de catalogi kon nemen. Voor 25 gulden per jaar kreeg je alle catalogi thuisgestuurd en was je op de hoogte van wat er zich afspeelde. Op een gegeven moment ontdekte ik boekjes die niet zozeer door iemand anders waren gemaakt, maar door de kunstenaar zelf. Ik merkte dat het boeken zijn die niet ‘verouderen’: het is niet zo dat er van een kunstenaarsboek een jaar later een betere versie uitkomt, zoals bij een catalogus of overzicht, omdat een kunstenaarsboek een (kunst)werk op zich is. Mijn verzameling ontwikkelde zich langzaam. Wat mee hielp, is dat ik een grote – al bestaande – verzameling boeken heb geërfd van vrienden. Daar zaten heel veel kunstenaarsboeken bij.”

“In het begin denk je niet over verzamelen na, maar later, ook omdat je geregeld in antiquariaten te vinden bent, moet je constateren dat je een verzamelaar bent. De betekenis die het verzamelen voor mij heeft, is dat het tot steeds meer kennis over de boeken en de kunstenaars leidt.”

Hoe vind je nieuwe boeken?

“Soms zie ik iets in een museum en dan kijk ik of er dat ergens te vinden is. Maar ook andersom, dat je een boek vindt dat er bijzonder uitziet en dan blijkt het door een kunstenaar gemaakt te zijn. Zowel qua vormgeving als inhoud. Toen ik in 1976 met mijn studie begon, had ik nog geen idee dat er een dusdanig onderscheid bestaat. Pas later ontdekte ik het onderscheid en kwam ik erachter dat ik een aantal kunstenaarsboeken bezat, zoals een boek van het Groninger museum, uit 1980. Eén van de eerste tentoonstellingen van Anselm Kiefer in Nederland was bij het Groninger Museum en daar werd het boek ‘Hoffmann von Fallersleben auf Helgoland’ bij uitgegeven. Een heel bijzonder boek. Dit boek bevat foto’s en heeft heel mooi die duistere sfeer die vooral in Kiefer’s vroegere werk zit. In dit boek speelt hij gebeurtenissen uit de Duitse geschiedenis na. Ik weet eigenlijk nog steeds precies niet wie Hoffmann von Fallersleben is.”

Zou je dat willen weten?

“Ik ben vooral gevoelig ben voor de sfeer van zo’n boek. Die slecht afgedrukte foto’s met stof en krassen er op en dan ook nog zo’n omslag van ‘gewoon’ grijs karton. En een vluchtig geschreven titel. Ik hoef niet precies te weten wie Fallersleben is, maar ik weet wel waar Helgoland ligt en dat Helgoland altijd een belangrijke militaire basis voor de Duitsers is geweest. Dat zie je terugkomen in het boek. Veel leuker vind ik het om de sfeer te voelen en niet om de precies te weten wat het is. Ik heb ook niet het idee dat je erachter komt door het boek door te bladeren.”

Dat doe je bij geen van jouw boeken niet?

“Dat zou ik niet zeggen. Ik vind het ook leuk om sommige dingen wel helemaal uit te zoeken.”

Wanneer is een boek voor jou een kunstenaarsboek?

“Heel simpel gezegd is het criterium dat de kunstenaar het boek maakt als een kunstwerk. Dat betekent dus dat het in een kunstenaarsboek vaak van belang is dat je als kijker de bladzijden omslaat, waarbij je door de kunstenaar wordt geleid in een verhaal of een reeks.

Een kunstenaarsboek mag losbladig zijn, het mag een nietje hebben. Het boek moet aan de buitenkant eigenlijk al weergeven wat er aan de binnenkant te zien is. In het ‘Xerox book’ (1968) werd optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden om te kopiëren, die toen net bestond. Veel kunstenaars bleken het leuk te vinden om zelf de hele handel onder het kopieerapparaat te leggen en in elkaar te nieten. Ik heb ook zo’n boekje van één van mijn favoriete kunstenaars –  Stanley Brouwn – , die bij een oplage van 250 een reeks voetstapmaten heeft gebundeld.”

“Stanley Brouwn past, vind ik, heel erg goed in de Nederlandse traditie, een traditie waarbij er gezocht wordt naar een uiterste minimum van wat je kunt laten zien. En wat bij de kijker toch tot maximaal effect sorteert. Ik heb altijd het idee dat ik bij Stanley Brouwn een aantal dingen van mezelf herken: het verzamelen van gegevens en het rangschikken daarvan. Zo heb ik nog steeds in een plakboek een verzameling treinkaartjes uit mijn jeugd. Wanneer je geconfronteerd wordt met Brouwn’s werk, kun je het als heel koel en afstandelijk zien, maar ik heb er juist altijd heel veel herkenning in gevonden. Vooral omdat hij je uiteindelijk een enorme vrijheid laat om het werk te interpreteren.”

Is er in de loop der jaren een richting in de verzameling ontstaan?

“Het verbreedt zich altijd, maar dat heeft er bij mij ook wel mee te maken dat ik het leuk vind als dingen anders zijn dan ik gewend ben. Vaak is het zo dat, wanneer je je meer in iets verdiept, het meer betekenis voor je krijgt. Gelukkig is het verzamelen van boekjes vrij overzichtelijk: het is compact en je kunt het makkelijk wegzetten in de kast.”

Hoe vaak bekijk je het?

“Dat hangt een beetje af van wat op dat moment actueel is; actueel voor mij. Sommige boeken kunnen een paar jaar ongezien in de kast staan en op een gegeven moment kom ik iets tegen, waar ik door word gegrepen en pak ik het er bij om een totaalbeeld te krijgen of nieuwe invalshoek.”

Heb je nagedacht over wat je gaat laten zien tijdens de WKB18?

“Het lijkt mij leuk om een aantal werken van Stanley Brouwn te laten zien, maar ook van Sol LeWitt. Dat is ook wel een kunstenaar waar ik veel mee heb. Brouwn en LeWitt zijn twee conceptuele kunstenaars, maar ze zijn in de uitwerking van hun idee heel anders. Bij Sol LeWitt zie je vaak alle mogelijkheden van een reeks; het werk van Stanley Brouwn vormt zich veel meer in je hoofd.”